Dordrecht-blokfluit

Dordrecht-blokfluit

English text below

Dordrecht-blokfluit: inventarisnummer 4001.000.008,  collectie van het Dordrechts Museum; in de vaste opstelling van Het Hof van Nederland.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

De Dordrecht-blokfluit (vóór 1418) werd tijdens opgravingen in 1940 gevonden in een waterput in een tussenmuur van het tweede Huis te Merwede, bij Dordrecht. De Dordrecht-blokfluit is in 1941 in bruikleen gegeven aan het Haags Gemeentemuseum, waar hij met uitzondering van een paar jaar tijdens de oorlog bleef tot 2009. Hoewel er in het verleden onderzoek gedaan is naar het instrument en geëxperimenteerd met reconstructies [1] is een aantal vragen onbeantwoord gebleven, wat voor Aventure de reden was om opnieuw naar het instrument te kijken.

De waterput en de datering

Gebaseerd op de datering van de muur waarin de waterput zich bevindt enerzijds en het Dordtse beleg van het Huis anderzijds is aan te nemen dat de waterput tussen 1355 en 1418 in gebruik was. De Sint Elisabethsvloed van 1421 maakte de verwoesting compleet. Het hout van de blokfluit zelf is niet gedateerd [2] en kunnen we alleen vaststellen dat de blokfluit van vóór 1418, het einde van de gebruiksperiode van de waterput is. Mogelijk werpt in de toekomst de beschrijving en datering van andere vondsten uit de waterput iets meer licht op de vermoedelijke datering van de blokfluit.

SK-A-3147-A
De Sint-Elisabethsvloed, Meester van de Heilige Elisabeth-Panelen, anoniem, ca. 1490-ca. 1495, Rijksmuseum Amsterdam. Rechts van de kerktoren is de ruïne van Huis te Merwede zichtbaar. 

De blokfluit

De Dordrecht-blokfluit [3] is een klein instrument uit vermoedelijk fruitbomenhout. De klinkende lengte van de blokfluit bedraagt 275 mm, gemeten over de buiten kromming van het instrument en de diameter van de binnen boring komt op 12,3 mm maximaal. De voicing is vergelijkbaar met die van een tin whistle, waarbij de laagte van het instrument zwak is en het hogere octaaf juist sterk. In mei 2015 vond een CT-onderzoek naar de binnen boring van de blokfluit plaats. Dat onderzoek bevestigde onder andere dat de boring cilindrisch is.

De Dordrecht blokfluit heeft een toonomvang van ruim twee octaaf. De toonafstand tussen het onderste en een na onderste vingergat is – anders dan bij latere blokfluiten maar kenmerkend voor de archeologische blokfluitvondsten – een halve toon.

Een meer gedetailleerd verslag van de metingen die Aventure in 2011 deed en het CT-onderzoek uit 2015 wordt in een later stadium gepubliceerd.

Dordrecht-blokfluit: polyfonie of eenstemmige traditie?

Hoewel er geografisch niet ver van het Huis te Merwede polyfone muziek werd gekend en gespeeld lijkt het onwaarschijnlijk dat de Dordrecht-blokfluit daar een rol in speelde. De polyfonie, de meerstemmige muziek, uit die tijd vraagt namelijk om instrumenten die in omvang gelijk aan een menselijke stem zijn. Daar kan een klein instrument als deze blokfluit niet aan voldoen. Natuurlijk is het mogelijk dat men net als later (zie pagina het repertoire van instrumentalisten tussen 1450-70) instrumentale versies van vocale stukken heeft gemaakt. Maar voorbeelden daarvan zijn rond 1400 zeer schaars.

Waarschijnlijk moeten we het repertoire voor de Dordrecht-blokfluit zoeken in de ‘oral tradition’ en het instrument plaatsen als een (eerste) houten model van fluiten die voordien uit bijvoorbeeld riet gemaakt werden. Heel gewone instrumenten, alom bekend en gebruikt om er eenstemmige melodieën op te spelen. Willen we ons een voorstelling maken van hoe deze melodieën klonken, dan kunnen we kijken naar de nog altijd bloeiende eenstemmige liedtraditie. De grote liedverzamelingen uit het Brugse Gruuthusehandschrift (1395-1408) en de centraal Europese verzamelingen van o.a. de Mönch von Salzburg (eind 14e eeuw) en  Oswald von Wolkenstein (1377-1445). Dergelijke melodieën bieden ons vermoedelijk een kijkje in een nu verloren, mondeling overgeleverd traditie waar de Dordrecht-blokfluit deel van uit maakte.

Graven in de krantenbak via Delpher

Een prachtige illustratie van de archeologische opgravingen bij het Huis te Merwede kregen we uit de krantenartikelen die kort na de opgraving verschenen. Klik verder en lees zelf het enthousiasme en de verwondering over wat men allemaal vond.

[1] Zie literatuur

[2] De ouderdom van hout kan tot op een tijdsinterval nauwkeurig bepaald worden door een koolstofonderzoek. Daarvoor moet een stukje hout van het object afgenomen worden. Door de uniciteit van de blokfluit is een dergelijk C14-onderzoek onwenselijk.

[3] Het instrument heeft 7 vingergaten en een tweede pink gat aan de voorkant en een duim gat aan de achterkant. Verder heeft het een labium en een blok en toont het voldoende familiegelijkenissen om tot de blokfluiten te worden gerekend.

 

Dordrecht recorder

Dordrecht recorder: inventory number 4001.000.008, collection of the Dordrecht Museum; on permanent display at Het Hof van Nederland. https://www.archeologiedordrecht.nl/

The Dordrecht recorder (pre-1418) was found in 1940 in a well in an internal wall during excavations at the Huis te Merwede, near Dordrecht.  The Dordrecht recorder was loaned to the Haags Gemeentemuseum in 1941, where it remained until 2009, with the exception of a few years during the war. Although research on the instrument had been done in the past, and there have been attempts at reconstruction[1], many questions remained unanswered.  This was the reason for Aventure to take a new look at the instrument.

The well and the dating

Based on the dating of the wall wherein the well was located on the one hand, and the siege of the Huis by Dordrecht on the other, one can assume that the well was in use between 1355 and 1418. The St. Elisabeth’s Flood of 1421 completed the destruction of the Huis. The wood of the recorder itself has not been dated[2], and at this point, we can only ascertain that the recorder is from before 1418, when the well fell out of use. A future description and dating of the other finds from the well may shed some light on a possible dating of the recorder.

The recorder

The Dordrecht recorder[3] is a small instrument, probably made of fruitwood.  The sounding length is 275 mm, measured over the external curve of the instrument; and the internal bore is 12.3 mm at the most. The voicing is comparable to that of a tin whistle, wherein the lower range of the instrument is weak, and the higher octave is stronger.  A CT-scan was performed in May 2015 to examine the internal bore of the recorder.  That examination confirmed (among other things) that the bore is cylindrical.

The Dordrecht recorder has a range of over 2 octaves. The tonal distance between the two bottom finger holes is a semitone– in contrast to later recorders, but characteristic for the archeological recorder finds.

A more detailed report of the measurements done by Aventure in 2011 and the CT-examination from 2015 will be published at a later stage.

Dordrecht recorder: polyphonic or monophonic tradition?

While polyphonic music (music with multiple voices) was known and played geographically close to the Huis te Merwede, it seems unlikely that the Dordrecht recorder played a role in that.  The polyphony of the time called for instruments with ranges corresponding to human voices.  A small instrument such as this recorder cannot do that. Of course, it is possible that instrumental versions of vocal pieces were made, just as they were later (see page: repertoire for instrumentalists between 1450-70). But examples of that from around 1400 are very rare.

We probably must look for the repertoire for the Dordrecht recorder in the oral tradition and see the instrument as a (first) wooden model of an instrument which up until that point would have been made of reed, or something similar. These were simple instruments, familiar everywhere, which were used to play monophonic melodies. If we would like to get an impression of how those melodies sounded, we can look at the still flourishing monophonic song tradition. The large song collections include the Gruuthuse Manuscript, from Bruges (1395-1408) and the central European collections such as the Mönch von Salzburg (end of the 14th C.) and Oswald von Wolkenstein (1377-1445). These types of melodies give us most probably an impression of a now-lost, orally transmitted tradition of which the Dordrecht recorder was a part.

Digging through the news archives

A lovely illustration of the archeological dig at the Huis te Merwede appeared in newspaper articles that appeared shortly after the excavations.  Click further and read the enthusiasm and astonishment at all of what was found.

[1] See literature list

[2] The age of wood can be accurately determined to within a specific time period by carbon dating.  For that, a piece of wood must be removed from the item. Due to the uniqueness of the recorder, such C-14 dating is not desirable.

[3] The instrument has 7 finger holes with a doubled bottom hole on the front and a thumb hole on the back.  Additionally, it has a labium and a block, and shows enough family resemblance to be considered a recorder.

Advertenties